|
|
Reisverslagen
China: Yunnan, door de TijgerkloofDoor: Martin Kat, 2007 | NAAR LIJANG
We vertrekken in lichte regen uit Yongshen. Een korte klim eindigt in de wolken. We gaan dalen. Het wordt droog en de wolken breken. Door het wolkenwit zien we diep onder ons het groenste groen van de rijstvelden. Schitterende eindeloze vierkanten. We dalen 10 kilometer langs watervallen tot in de vallei. Dorpen, rijstvelden, weggetjes, bruggen, zwaaiende en lachende Chinezen. Tien kilometer vlak genieten. Aan het eind van de vallei fietsen we een smalle en diepe kloof in. Bruin water kolkt langs mijnen, die tot diep in de bergen zijn uitgegraven. Armoede en gevaar. De kolenmijnen zijn de basis van de Chinese economie.
Na twintig kilometer verenigt het bruine water zich met het grijze van de Yangtze, nu nog rustig stromend. We lunchen. Grote kommen miesoep. Er wacht over de brug een klim van 30 kilometer. We stijgen van 1300 naar 2700 meter. Een lange, gestage klim. Niet al te steil. De rivier, nu diep beneden ons, wordt steeds smaller en verdwijnt uiteindelijk uit zicht. De laatste 20 kilometer van deze route dalen en stijgen we. Mooie door oude bomen omzoomde wegen.
Dan zijn we in Lijang. Honderden fabrieksarbeiders fietsen keuvelend naar huis. Het oude waterrad en de vele Chinese toeristen maken hun eindeloze rondjes. We lopen door kleine straten met oude huizen. Overal winkels. Ons wacht een paar dagen rust: tempels, winkelen, eten en rondkijken.
| DE HOOGVLAKTE VAN ZHONGDIAN
In Qiaotou nemen we na een vroeg ontbijt afscheid van Margot, als restauranthoudster aan de ingang van de Tijgerkloof onze plaatselijke steun en toeverlaat. Margot kan bijna alles, Margot weet alles, Margot heeft over alles een mening. We zullen haar over een week weerzien. Haar knuffeltijgers kijken ons nog slaperig toe over de rand van hun mand.
We klimmen urenlang langs een rivier. Niet steil. Wel gestaag. Langs dammen en meren. Door een tunnel.
Na 28 kilometer zien we rechts een bergwand. Een rijdende auto duidt er op dat er een weg loopt. Oeps, het is de pas die we moeten klimmen. Na 6 kilometer fietsen zijn we op pashoogte: 3200 meter. Uitzicht over bergen, dalen en rivieren. We fietsen de hoogvlakte van Zhongdian op. Er verschijnen gebedsvlaggen, stoepa’s, yaks en Tibetanen. Het is een kleurrijk geheel.
Later zien we Tibetaanse huizen: groot en vierkant. Goed afgeschermd tegen wind en kou. Op grote rekken wordt gras gedroogd. Yakhuiden wachten gespannen hun verdere bewerking af. Eens zo fiere Yakstaarten slijten gelaten hun dagen als plumeau. Grote honden aan dikke kettingen tonen blaffend hun waaksheid.
Zhongdian is een door Chinezen beheerste Tibetaanse stad. In de gerestaureerde oude wijk zijn veel kleine straten met winkels. Op een heuvel staat een klooster met de grootste gebedsmolen. Er zijn vele handen nodig om de gebeden te laten verhoren. Op het plein danst ’s avonds heel het dorp.
Verderop is veel nieuwbouw. Hotels, banken, kantoren. De bouwstijl is Tibetaans, wat ze een beetje op het Potala, het grootste Tibetaanse klooster in Lhasa, doet lijken.
De omgeving is adembenemend. We zullen er nog dagen van genieten.
|  | DE STRAATVEGER VAN DE TIJGERKLOOF
De tocht van Zhongdian naar Haba heeft ons tot grote hoogte gebracht. Na Haba klimmen we nog 7 kilometer, maar dan dalen we tot in de Tijgerkloof. We snellen 23 kilometer de berg af. Extra trui aan. Helm op.
Na 15 kilometer komt de Tijgerkloof in zicht, diep uitgesneden in het dal onder ons. Hij verdwijnt naar rechts tussen de bergen. In het dal is een dorp. Twee Italiaanse fietsers hijgen bij ons uit. We leggen ze uit dat ze nog wat moeten klimmen. Multo bene.
We klimmen weer iets. Vlak voor de kloof wordt het wegdek slechter. Er liggen ook stenen. Na een bocht zien we een straatveger. Hij veegt onverstoord de Tijgerkloof. Papiertjes en flessen verdwijnen in zijn kar. Na nog een bocht stuiten we op een aardverschuiving. Tussen een paar duizend ton rotsblokken is slechts een smalle doorgang. De straatveger waagt zich hier niet aan. Het is voor hem een bocht te ver.
De weg is een smalle streep op een grijze wand. De wand strekt zich ver boven en onder ons uit. De kloof wordt smaller. Het water van de Yangtze kolkt. De bergen boven ons tonen nu vele tinten grijs en groen in het zonlicht. We genieten.
’s Middags zitten we op het terras van ons hotel. We horen gerommel. Onweer? Nee, de lucht is blauw. De volgende ochtend ontdekken we na twee kilometer fietsen de oorzaak. De weg is over de hele breedte bedekt met tonnen zware rotsblokken. Arbeiders roepen boem, boem.
Snel helpen ze onze fietsen een voor een over de rotsblokken. Om de hoek gaat iedereen tegen de bergwand staan. Lonten worden met een sigaret aangestoken en na een minuut volgt een reeks enorme explosies. Het dreunt nog seconden na in de smalle kloof. Ik ga snel terug om naar het resultaat te kijken. Er is niet veel gebeurd. Dit gaat nog heel lang duren. Een automobilist kijkt zeer beteuterd.
Een paar uur later zijn we terug bij Margot. We schenken haar een opblaastijger. Ze straalt. De knuffeltijgers kijken vanuit hun mand verlekkerd naar onze lunch.
|  |  |
|
|
|